Home
Nieuws
Cursussen
Contactgroepen
landelijk
kantoren
metaal
biologische factoren
CGC
TTA - Tijdschrift
regiocontactgroepen
bouw
gezondheidszorg
Symposia NVvA
Publicaties
Alleen voor leden
Cartoon
Symposium 2010
Contact
Organisatie
Links

 

Contactgroep - Landelijk

Arbo-kerndeskundigen tekenen samenwerkingsconvenant

Op 24 januari jl. ondertekenden de voorzitters van de vier beroepsverenigingen van kerndeskundigen in de arbodienstverlening een samenwerkingsconvenant. Het convenant bekrachtigt de multidisciplinaire samenwerking. De betrokken verenigingen zijn: BA&O (arbeids- & organisatiedeskundigen), NVAB (bedrijfsartsen), NVvA (arbeidshygiënisten) en NVVK (veiligheidskundigen). Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de werkgevers (VNO-NCW) en werknemers (FNV) juichen de nauwere samenwerking toe.

De ondertekenaars van het convenant (v.l.n.r.):

de heer J. M. (Jan)Touwslager (BA&O),
de heer H.J.J.M. (Huib) Arts (NVvA),
de heer A. (Andrew) Hale (NVVK) en
de heer P.E. (Pieter) Rodenburg (NVAB).



Het convenant stimuleert de samenwerking tussen de verenigingen, maar ook tussen de professionals in het veld van werk en gezondheid. De samenwerking moet leiden tot steeds betere dienstverlening aan werkgevers en werknemers. “Het convenant zet een belangrijk kader neer voor concrete, integrale en oplossingsgerichte advisering door de vier disciplines,” aldus R. Feringa, directeur Arbeidsomstandigheden op het ministerie van SZW. T. Heerts (vice-voorzitter FNV) en J.W. van den Braak (directeur Sociale Zaken VNO-NCW) onderstrepen het belang van de convenant. Zij menen dat het past in de huidige ontwikkelingen rond arbeidsomstandigheden en dat het getuigt van een juiste toekomstvisie van de vier verenigingen.

Behoud van kennis
Aanleiding voor het opstellen van een samenwerkingsconvenant ligt vooral in de snel wijzigende wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden, verzuim en reïntegratie. De verenigingen willen ook in de toekomst integrale, transparante arbozorg kunnen blijven garanderen aan werkgevers en werknemers, zowel bij preventie als reïntegratie. Door een nauwe samenwerking aan te gaan, bewerkstelligen de verenigingen het behoud van de gezamenlijke kennis op het gebied van arbeidsomstandigheden.

Marktverkenning
De vier verenigingen maken in het convenant verschillende voornemens. Zij willen onder andere een marktverkenning uitvoeren, met als doel nog meer inzicht te krijgen in de wijze waarop de vraagstukken van werkgevers en werknemers het best van een advies voorzien kunnen worden. Naar aanleiding daarvan kunnen nieuwe vormen van arbodienstverlening ontstaan.
Daarnaast willen de vier verenigingen een betere gezamenlijke ondersteuning bieden aan werkorganisaties die (na een inventarisatie van de risico’s in de organisatie) plannen voor verbetering van arbeidsomstandigheden en beperking van het verzuim willen maken.

De intenties die de basis van het convenant vormen, zijn op dit moment al omgezet in twee concrete projecten. De vier verenigingen hebben al een leidraad voor de RI&E-toets opgesteld, die buiten en binnen arbodiensten gehanteerd zal worden. Door deze leidraad kan bij het toetsen van een RIE-rapport een bedrijfsbezoek vaker achterwege blijven. Ook werken de verenigingen aan een richtlijn Effectieve gehoorbescherming (samen met de arboverpleegkundigen). Deze richtlijn maakt meer methoden voor het voorkomen van gehoorschade beschikbaar voor de praktijk.

Download de documenten hier (inloggen vereist).

+++++


3e Landelijke Contactbijeenkomst NVvA 8 september 2005

De 3e landelijke contactbijeenkomst in Utrecht had als hoofdonderwerp persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM's).

Maar voor we over PBM's gingen praten nam de voorzitter van onze vereniging, Huib Arts, het woord om ons bij te praten over het convenant dat de NVvA tezamen met de andere verenigingen van kerndeskundigen, te weten de NVAB (bedrijfsartsen), de NVVK (veiligheidskundigen) en BA&O (Arbeids- en organisatiedeskundigen) aan het afsluiten is onder het motto: "gezamenlijk staan we sterker dan alleen". Door de veranderende wetgeving moeten de (kern)deskundigen zich beraden op hun waarschijnlijk ook veranderende taak en rol. Moeten de 4 clubs naast elkaar of met elkaar de toekomst in? Binnenkort wordt het voorstel van dit convenant aan de leden gemaild. Als een soort Europees referendum kunnen de leden alleen nog maar "ja of ja zeggen". Inhoudelijke wijzigingen zijn dan niet meer mogelijk. In de aansluitende discussie wordt opgemerkt dat integraal werken (als vertaling van samenwerken met je arbo-collega van een andere discipline) hiervoor essentieel is. Maar hoe reëel is dat als dit binnen je eigen dienst al problematisch is?

Keuze systematiek in relatie tot PBM's
Dhr. J. Putman mocht ons uitleggen hoe je de kreten "doeltreffend en passend" bij PBM's moet interpreteren. In zijn visie moet bij een RI&E van de gevaren en de daaraan gekoppelde PBM's meer gefocust worden of de juiste keuzes gemaakt worden. Het voorschrijven van PBM's gebeurt vaak te oppervlakkig: "doe passende handschoenen aan of gebruik een masker". Uiteraard kan de fabrikant of leverancier hier een belangrijke bijdrage leveren. Hij presenteerde diverse lijsten en schema's die de AH'er behulpzaam zijn bij het maken van keuzes.

Organisator van de dag, Jan Hendrix, leerde ons vervolgens "hoe om te gaan met adembescherming als arbeidshygiënisch advies". Hij betoogde dat het gebruik en de doelmatigheid (en dus de beschermende werking waar het toch om gaat!) van PBM's sterk afhankelijk is van de omstandigheden. Zo verandert de doorlaatbaarheid van bepaalde maskers sterk als de luchtvochtigheid toeneemt. Ook moet je een aanzuigslang van een masker niet op de vervuilde grond laten liggen, dan helpt het weinig. Training van (omgang met) adembescherming moet onderdeel van je advies zijn.

Als laatste spreker mocht D. Brouwer van TNO Kwaliteit van Leven (brouwer@chemie.tno.nl) spreken over: "Bescherming van huidblootstelling door PBM: overeenkomsten en verschillen met ademhalingsblootstelling". Een niet helemaal dekkende lading aangezien het voornamelijk ging over de (beperking van de) kennis van de doorlaatbaarheid in al zijn vormen (permeation, penetration en deposition). Na een theoretische uitleg over hoe al deze factoren onderscheiden worden, bleek wel dat er zoveel variabelen zijn waarvan we de exacte bijdrage niet weten of geen goede meetmethode voor hebben dat het bijna onmogelijk is een 100% juiste uitspraak te doen over de "juiste handschoen". Bieden veel testen, van o.a. leveranciers of gebaseerd op onderzoek naar bestrijdingsmiddelen, dan een schijnveiligheid was toch wel de centrale vraag. Een echt sluitend antwoord kwam helaas niet. Conclusie was wel dat je kritisch moet zijn op testresultaten.
In de aansluitende discussie werd gesuggereerd om in het TNO-model van huidbescherming de link met MAC-waardes en koppeling tussen blootstelling en opname op te nemen. Mijn (persoonlijke) conclusie was wel dat hier de wetenschap en dagelijkse praktijk ver uit elkaar liggen. Ook bleek wederom dat de gemiddelde arbeidshygiënist weinig op heeft met (de beschermende werking van) PBM's. Bronbescherming is toch zijn/haar doel! En terecht.

Nadere informatie over het laatste geplande onderwerp "brandwerende kleding" en alle andere sheets wordt verwezen naar het ledendeel op deze website.

Edwin Hagelen
19-9-2005

+++++


17 maart 2005

"Trillingen"

De presentaties zijn te vinden op het ledendeel van de NVvA-website

+++++


Arbeidshygiëne: uniek en met toegevoegde waarde

Donderdag 9 september 2004 was er een Landelijke Contact Bijeenkomst met als onderwerp: Arbeidshygiëne: uniek en met toegevoegde waarde. Met ongeveer 60 aanwezigen was de belangstelling redelijk maar niet bovenmatig.
In het kader van de bepaling van het bestaansrecht van de NVvA als zelfstandige vereniging, kan reflectie op de uniciteit en de waarde van "de arbeidshygiënist" een waardevolle bijdrage leveren aan de discussie. Omdat "de arbeidshygiënist" als zodanig niet bestaat, waren voor deze middag een drietal arbeidshygiënisten uit verschillende beroepssituaties en twee bedrijfsartsen uitgenodigd om hun visie te geven op de meerwaarde die arbeidshygiënisten kunnen hebben in verschillende situaties. Eén der bedrijfsartsen was verhinderd, zijn co-presentator kon echter de honneurs waarnemen. Zo kwamen aan het woord: Jan van Dijk (Commit, externe arbodienst), Jan Twisk (Dow Chemical, interne arbodienst), Joost van Rooyen (IndusTox, consultancy, trainingen, betrokken bij o.a. claimbeoordelingen) en tot slot Teake Pal (Nederlands Centrum voor Beroepsziekten, bedrijfsarts).

De presentaties gaven elk een visie op de meerwaarde van de arbeidshygiënist in verschillende situaties, toegelicht met voorbeelden uit de praktijk.
Niet onverwacht, kwamen allen tot een min of meer gelijke conclusie: de meerwaarde van de arbeidshygiënist zit in de specifieke vakmatige kennis waarover deze beschikt. Niettemin werden door de verschillende sprekers verschillende aspecten benadrukt en was er verschil in accenten bij de waardering van bepaalde vaardigheden. In alle geval wordt grote waarde gehecht aan
  1. het vermogen om werksituaties te beoordelen, te onderzoeken op schadelijke factoren en
  2. het vermogen om daarbij het verband te zoeken (en te vinden!) met door werknemers geuite klachten
  3. Verder is van belang dat de arbeidshygiënisten kennis hebben van de effecten van gevaarlijke stoffen, lawaai enz. omdat dit hen in staat stelt een gesprekspartner te zijn voor de bedrijfsarts
  4. Natuurlijk wordt ook het vermogen om adequate beheersmaatregelen te adviseren hogelijk gewaardeerd
Behalve deze kennis en vaardigheden is de systematische aanpak die in de arbeidshygiënische opleiding wordt aangeleerd, een waardevol pluspunt. Dit is genoemd bij de externe arbodienst maar speelt eigenlijk ook mee bij de waarde die Joost van Rooyen hecht aan het vermogen om retrospectief onderzoek te doen om de blootstelling in vroeger jaren in kaart te brengen voor schadeclaim-dossiers.
Door de arts werd aangegeven dat arbeidshygiënisten (de academici althans) doorgaans veel meer van epidemiologie weten en dat zouden kunnen benutten, dan bedrijfsartsen of arboartsen. Arbeidshygiënisten doen daar naar zijn mening echter te weinig mee.
De meerwaarde van een arbeidshygiënist wordt groter naarmate de AH langer bij hetzelfde bedrijf betrokken blijft. In een interne dienst ontstaat zo een meerwaarde ten opzichte van extern deskundigen, omdat de AH op maat gesneden programma's kan leveren, geïntegreerd in de bedrijfsvoering en omdat de AH betrokken is in een efficiënte structuur van VGM-management (Veiligheid, Gezondheid en Milieu). Als intern deskundige wordt de AH eerder betrokken in preventief beleid, door vanaf het begin mee te denken bij het ontwerp van fabrieken en installaties en bij het ontwikkelen van nieuwe producten of productieprocessen.
Inderdaad had, in de praktijk van de externe AH, de klant in de eindfase van een mooie case het contract met de arbodienst opgezegd om bij de concurrent aan te kloppen. Daarna hield de betrokkenheid op van de AH's die de case zo goed hadden onderzocht en graag verder hadden willen begeleiden. Hun concurrent AH-collega's gaven geen feed-back ondanks dat zij over de dossiers van het onderzoek konden beschikken.

Dus de meerwaarde die een AH bij een interne dienst kan hebben, is niet onmogelijk bij een externe arbodienst, maar voorwaarde daarbij is, dat er een langdurige relatie is met de bedrijven en instellingen waar je komt en dat je daar met enige regelmaat komt. Mogelijk kan door het opheffen van de verplichte arbo-nering, juist dit aspect van de arbeidshygiënische praktijk weer meer aandacht krijgen. In de beginjaren (voor 1994) waren arbeidhshygiënisten bij arbodiensten namelijk veel meer bezig met preventie dan in de latere en meer recente jaren.
Kortom elke arbeidshygiënist heeft in principe meerwaarde, door te beschikken over kennis en vaardigheden die andere (arbo-)deskundigen niet hebben, maar sommige arbeidshygiënisten hebben meer meerwaarde dan anderen.

Jodokus Diemel

+++++


Benoeming erelid NVvA



Naar aanleiding van de Lustrumviering 20 jaar NVvA op 11 september 2003 en de flipperkast brieven in de publicatie bij de lustrumviering, heeft een aantal leden het initiatief genomen Eric Meyer voor te dragen als erelid van de NVvA.

Waarom Eric?
De ad hoc toetsingscommissie schreef "Wij adviseren het bestuur de voordracht van de initiatiefnemers met betrekking tot de benoeming van de heer Eric (E.P.P.) Meyer tot erelid van de NVvA positief te waarderen. Op basis van zijn curriculum vitae, de -bij de "Procedure benoeming ereleden" behorende- ingevulde vragenlijst en eigen ervaringen, is de toetsingscommissie met de initiatiefnemers van oordeel dat Eric Meyer een bijzondere bijdrage heeft geleverd aan zowel de ontwikkeling van de arbeidshygiëne als vakgebied, als de NVvA als beroepsvereniging."

De initiatiefgroep gaf aan: "Eric is een pionier en missionaris op zijn vakgebied geweest en heeft zowel in zijn periode bij de regionale BGD Breda als bij Shell Pernis belangrijke lijnen uitgezet voor de Arbeidshygiëne waar zijn vakgenoten na hem nog immer de vruchten van plukken. Ook na zijn pensionering is Eric actief gebleven in de NVvA en een belangrijke drijvende kracht geweest in de scholing en training van nieuwe vakgenoten. Zonder zijn enthousiaste en inspirerende inzet voor het vak en de vereniging zou het aanzien en de status van de Arbeidshygiëne in Nederland nimmer zijn geworden wat het thans is."

Het bestuur heeft dit advies overgenomen en de ALV op 25 maart gevraagd de voordracht te ondersteunen. Op bijgevoegde foto werd Eric in het bijzijn van zijn echtgenote de onderscheiding behorend bij het erelidmaatschap overhandigd.

Op 1 mei 1974 werd Eric Meyer door bedrijfsarts Piet Jenniskens, directeur van de regionale BGD Breda, (25 aangesloten bedrijven; 10.000 werknemers) aangesteld als 'bedrijfshygiënist'. Tot dan was hij 20 jaar commercieel werkzaam geweest. Van bedrijfsgezondheidszorg wist hij weinig, nog minder van bedrijfshygiëne!

De dagelijkse werkzaamheden van deze BGD waren gestructureerd volgens het door Jenniskens ontwikkelde "Model Bedrijfsgezondheidszorg". Zijn taak was in deze systematiek volgens het zogenaamde 'ergogram' mogelijk belastende werkomstandigheden in kaart te brengen.

Op 1 januari 1981 trad hij in dienst bij de BGD van Shell Pernis waar hij heeft gewerkt tot zijn pensionering.

Eric Meyer heeft een voortrekkersrol gehad bij het omvormen van de eerste, prille kontakten tussen de arbeidshygiënisten in bedrijfsgezondheidsdiensten vanaf 1974 tot de oprichting van de Nederlandse Vereniging voor Arbeidshygiëne zoals die in juni 1983 is opgericht.

Met zijn kennis van de Engelse taal, zijn netwerk, zijn contactuele vaardigheden en zijn ondernemersdrang bleek hij goed in staat de aanpak van de Britse Arbeidshygiëne Vereniging (BOHS) te vertalen naar de Nederlandse situatie. Dat heeft mede het gezicht van de NVvA bepaald.

Wat hem 9 jaar lang voor ogen stond werd in 1983 gerealiseerd en volgens eigen zeggen "… dat is en blijft een hele bijzondere ervaring…".

Eric heeft binnen en buiten zijn werktijd ontzettend veel tijd en energie besteed aan scholing van Arbeidshygiënisten.

Van 1999 tot en met 2002 is Eric lid geweest van de symposium commissie waar hij met zijn nog altijd aanwezige commerciële inzicht kon zorgen voor inkomsten vanuit sponsoring.

In 2003 heeft hij een uitgebreide bijdrage geleverd aan de jubileum uitgave ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan van de NVvA waarin hij op zijn eigen karakteristieke wijze verslag heeft gedaan van de jaren vóór de oprichting van de NVvA.

Namens het bestuur

Theo Scheffers

+++++


Landelijke Contactbijeenkomst NVvA - CGC
20 november 2003.

"Combinaties van Stoffen, Combinaties van Vragen"

Donderdagmiddag 20 november werd een gezamenlijke contactbijeenkomst van CGC en NVvA georganiseerd, waarin werd ingegaan op de problematiek van het beoordelen van effecten van blootstelling aan combinaties van stoffen.
Sprekers waren allen (ex-)leden van de Commissie van de Gezondheidsraad, die medio 2002 het rapport "Blootstelling aan combinaties van stoffen: een systematiek voor het beoordelen van gezondheidsrisico's" publiceerde.
Het spits werd afgebeten door dr. V.J. Feron (TNO Voeding) die een toelichting gaf op de in het GR-rapport gepresenteerde systematiek. Men noemt dit de "Hazard Index: Weight Of Evidence".

Het schatten van het gecombineerd effect van blootstelling aan diverse stoffen stelt arbeidshygiënisten en toxicologen voor een behoorlijk probleem. Het kan hetzij gaan om gelijktijdige blootstelling aan de stoffen in een mengsel (bijvoorbeeld verfdamp), hetzij al of niet in tijd overlappende blootstelling aan verschillende stoffen bij opvolgende werkzaamheden.
Nader onderscheid wordt gemaakt in de aard van het combinatie-effect: is dat een additie van de afzonderlijke effecten, is er sprake van synergisme of antagonisme. De systematiek geeft aan hoe om te gaan met wel of niet beschikbare toxicologische data door een beslissingsboom op te zetten. Afhankelijk van de aard van de beschikbare gegevens (m.b.t. effecten van het mengsel als geheel, van een stoffenfractie of categorie in het mengsel, of slechts van afzonderlijke componenten) kan met meer of minder succes het effect van blootstelling aan het mengsel in praktijksituaties worden voorspeld.
Verdere verfijning van de beoordeling wordt bereikt door de waarde van de beschikbare gegevens te wegen volgens de Weight of Evidence (WOE) -methode. Hoe beter betrokken op de situatie (toxische data uit epidemiologische en veldstudies, data uit 'in vivo' of 'in vitro' testen) hoe zwaarder de gegevens worden meegeteld in de 'Hazard Index' van het mengsel.
Dr. W. ten Berge (DSM) ging nader in op de praktijk van het beoordelen van gecombineerde blootstelling, waarbij op grond van empirische gegevens, mathematische modellen worden ontwikkeld om de effecten te beschrijven. Dit werd toegelicht aan de hand van de combinatie van blootstelling aan cyaniden (voorkomend in cassave) met een tekort aan jodide-opname. Geen gecombineerde blootstelling in strikte zin (want jodide tekort), maar zeer illustratief omdat beide omstandigheden leiden tot hetzelfde effect: vorming van "krop" (gezwollen schildklier). Geïllustreerd werd hoe uit de gegevens over het optredend effect (gemeten zwelling van de schildklier) kon worden aangetoond dat het jodide-tekort in veel hoger mate verantwoordelijk is voor de geconstateerde kropvorming dan de cyaniden.
Als derde spreker ging dr. J.P. Groten (TNO Voeding) in op de implicaties van de ontwikkelde modellen voor de praktijk van het vaststellen van een Hazard Index van combinaties van stoffen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van data afkomstig uit onderzoek met herhaalde blootstelling aan subacute doses, in de orde van grootte van de NOAEL of van de MOAEL (No, cq. Minimal Observed Adverse Effect Level).
Bij een combinatie van twee stoffen wordt het effect tegen de doses weergegeven als een 'surface-level' in een driedimensionale grafiek.
Wanneer je onderzoek zou willen doen aan een mengsel van 5 verschillende stoffen, met per stof 5 wisselende doseringen, zou je al 55 = 3125 proeven moeten doen. Om het aantal proeven te beperken is een strategie ontwikkeld om met veel minder proeven, toch een redelijk gefundeerde uitspraak te kunnen doen over de gecombineerde effecten van mengsels met 5 componenten.
Zo zijn van 65 voedseladditieven de effecten onderzocht, waarbij uiteindelijk van enkele (3-4) stoffen geconcludeerd werd, dat synergisme (op niveau van effecten in lever en nieren) niet uit te sluiten is.
Tot slot gaf dr. N. Palmen een uiteenzetting van hoe in de praktijk van Arbodienst Limburg omgegaan wordt met de problematiek van het beoordelen van gecombineerde blootstelling aan (mengsels van) stoffen. Zij toonde een Canadese website waar een grote hoeveelheid stoffen is geklasseerd naar effect (bijvoorbeeld 13: nierschade, 32: carcinogeen). Hier kan van verschillende stoffen in een tabel worden ingevuld welke blootstelling gemeten is en vervolgens wordt de gecombineerde blootstellingsindex berekend. Daarbij wordt aangegeven of en in welke schade-categorieën gecombineerde effecten te verwachten zijn. Verder wees dr. Palmen op het individueel menselijk gedrag als potentiële bron van gecombineerde blootstelling: veel mensen drinken alcohol, roken tabak en/of cannabis, gebruiken drugs of medicijnen. Dat alles in doses die tot effecten leiden, want daar doet men het voor. Het effect van gebruik van genotmiddelen of medicijnen gecombineerd met dat van blootstelling aan stoffen in het werk wordt vermoedelijk vaak over het hoofd gezien. Dr. Feron wees in dit verband op het ontbreken van kennis over het gecombineerd effect van simultane blootstelling aan schadelijk geluid en aan gevaarlijke stoffen, hetgeen vaak voorkomt (in werksituaties, maar ook in het verkeer).

De grootste problemen bij het beoordelen van blootstelling aan stoffen treden op wanneer geen MAC-waarden vastgesteld zijn en ook buitenlandse grenswaarden niet voorhanden zijn. Als arbeidshygiënist heb je een behoorlijke dosis toxicologische kennis nodig om zelf een grenswaarde vast te kunnen stellen aan de hand van toxicologische gegevens (als die er al zijn).
MAC-waarden zijn veelal vastgesteld met preventie van een bepaald kritisch effect voor ogen. Bij ethoxy-ethanol bijvoorbeeld is dat een reproductietoxisch effect en ligt de MAC op 19 mg/m³; bij blootstelling aan een hoge concentratie (370 mg/m³) treden irritatie-effecten op.
Wanneer nu de blootstelling beneden de MAC ligt, bijvoorbeeld op 50 % daarvan en werknemers worden gelijktijdig blootgesteld aan een stof met een MAC-waarde die alléén gebaseerd is op soortgelijke irritatie-effecten, kun je het irritatie-effect van deze gecombineerde blootstelling niet schatten door de MAC van ethoxy-ethanol te nemen als noemer in de blootstellingsindex (Cx/MACx + Cy/MACy < 1). Bij een blootstelling op niveau van de MAC treedt nog lang geen irritatie op, door de MAC als referentie te nemen zou ethoxy-ethanol niettemin voor 50% meetellen in de beoordeling van een mogelijk optredend irritatie-effect.
Om de bijdrage aan het irritatie-effect te bepalen zou hier de genoemde "Effect-specifieke Grenswaarde" (EGW) voor irritatie (370 mg/m³) genomen moeten worden. Het voorstel om vaker met EGW te werken leidde tot discussie: moet het beschikbare onderzoeksbudget besteed worden om van stoffen met MAC ook nog EGW vast te stellen, terwijl van heel veel stoffen er nog geen MAC is vastgesteld.
Het antwoord is nee, want die niet kritische effecten zijn veelal al bekend en gedocumenteerd wanneer er een MAC is vastgesteld, dus met weinig extra moeite kan in een aantal gevallen ook een EGW gegeven worden.
Verder ontstond discussie omdat bij het beoordelen van de blootstelling in het kader van beheersing je natuurlijk altijd van de MAC moet uitgaan, niet van een EGW die hoger ligt. Voor het vaststellen van de bijdrage van ethoxy-ethanol aan mogelijke irritatie effecten is evenwel het gebruik van een EGW verdedigbaar.
Het ging deze middag tenslotte om het beoordelen van het effect van gecombineerde blootstelling.
Al met al een vruchtbare (en zeer goed bezochte) contactbijeenkomst, waarin de gecombineerde aanwezigheid van toxicologen en arbeidshygiënisten hopelijk tot synergistische effecten op korte en lange termijn zal leiden. Presentaties van de sprekers en nuttige web-links zijn elders op de NVvA-site te vinden.

Jodokus Diemel, 21 november 2003

+++++


Europese Week, thema Gevaarlijke stoffen: voorzichtig behandelen

START MANIFESTATIE




Op 27 oktober '03 was in de Van Nelle fabriek te Rotterdam de start van de Europese Week voor Veiligheid en Gezondheid op het Werk (27 tot en met 31 oktober 2003). Dit jaar is het thema: Gevaarlijke Stoffen: Voorzichtig behandelen!
Het programma van de Startmanifestatie omvatte een goede praktijken markt waar de 20 inzenders van de Goede Praktijken competitie zich presenteerden, een infotheek en het arbocafé onder leiding van Peter van Ingen, journalist en presentator van Buitenhof. Daarnaast waren er in de ochtend en in de middag verschillende workshops en sessies.

GOEDE PRAKTIJKEN PARADE
Op de goede praktijken markt waren stands van 19 van de 20 inzendingen. In de stands werd door middel van posters, videobeelden en powerpoint presentaties uitleg gegeven over de ingezonden goede praktijk. Door verschillende inzenders was dit groots aangepakt. Een rondlopende 'robot' van de Focwa uitgerust met overall, gelaatsmasker en CD-Rom ceintuur vestigde de aandacht op het KAMM-systeem, een geautomatiseerd programma voor kwaliteit, arbo en milieu.
De Nederlandse Vereniging voor het Onderwijs in de Natuurwetenschappen (NVON) had een heuse scheikundehoek ingericht bij het promoten van het door hen ontwikkelde Arboboek om veiligheid bij proeven en practica te vergroten. Het boek is een aanrader voor arbeidshygiënisten die RI&E's uitvoeren en anderszins betrokken zijn bij arbodienstverlening aan het voortgezet onderwijs.

In de stand van Glasatelier Oud Rijswijk kon je een medewerker aan het werk zien met op de achtergrond een eigentijds gebrandschilderd raam met daarop een hamburger in een formaat waar McDonalds jaloers op zal zijn, geflankeerd door een tweetal antieke glas-in-lood ramen. Het meest in het oog springend was de stand van de Vakraad voor het Kappersbedrijf. Er waren videobeelden van de roadshow die zij in het kader van de campagne om gezond werken in de kappersbranche te bevorderen hebben gehouden, informatiesetjes en een kapper. Bezoekers van de manifestatie konden, in ruil voor een stem ;-)), een afspraak maken om het haar te laten knippen en stylen.

STOFFEN INFOTHEEK
In de stoffen infotheek stands van SZW en het Europees Agentschap en diverse organisaties en kenniscentra. Een nieuwkomer in de infotheek was www.stoffenmanager.nl, een hulpmiddel voor het MKB om de risico's van gevaarlijke stoffen te beheersen. De ontwikkeling van deze website is mogelijk gemaakt door een subsidie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het kader van het VASt programma (Versterking Arbobeleid Stoffen). Tijdens de startmanifestatie werd de demoversie van het programma gelanceerd. Na de Europese week wordt een testversie ontwikkeld voor een praktijktest in bedrijven. In het voorjaar van 2004 zal de website gereed zijn, aan het gebruik van de website zullen geen kosten verbonden zijn.

ARBOCAFÉ
Het arbocafé opende met een debat tussen Roel Feringa, namens Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Chris Dutilh, namens VNO-NCW en Paul Ulenbelt, namens FNV Bureau Beroepsziekten.
In het gesprek met Roel Feringa werd ingegaan op het feit dat in Nederland 30% van de werknemers beroepsmatig in aanraking komt met gevaarlijke stoffen. Er zijn in totaal ca. 40.000 verschillende producten, waar elke dag meer bij komen. Grootste risico daarbij is de onbekendheid van de gevaren en het feit dat effecten vaak pas (veel) later duidelijk worden. Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderstreept daarbij de eigen verantwoordelijkheid. Ook voor de werknemers. De werknemer moet de instructies kennen en opvolgen. De rol die Sociale Zaken en Werkgelegenheid zichzelf daarbij toekent is het informeren van de werkgevers.
Met Chris Dutilh werd ingegaan op de rol van de werkgever. Stelling was dat de werkgevers een teveel afwachtende houding aannemen en niet voorop willen lopen op regelgeving en Europa. Chris Dutilh gaf daarop aan dat werkgever gebaat zijn bij gezonde werknemers. Dit heeft een groeiend draagvlak en drive. Dus zal de werkgever niet wachten op regelgeving, alhoewel er wel altijd een soort wisselwerking zal zijn. De aarzeling bij het bedrijfsleven zal zijn wanneer er hoge kosten aan verbonden zijn. Als voorbeeld werd het genereren van kennis over de effecten van producten genoemd.
Ook de verantwoordelijkheid van de medewerker kwam aan de orde. Hierbij gaf Chris Dutilh aan dat wanneer het handelen van een medewerker bewust gevaarlijk blijft deze weg zal moeten. Hier werd aan toegevoegd dat dit een overplaatsing in zal houden.
Deze opvatting werd als stelling geponeerd bij de volgende spreken, Paul Ulenbult van het Bureau Beroepsziekten FNV. De reactie van Paul Ulenbult was dat dit 'belachelijk' is. Paul Ulenbult gaf als toelichting dat werkgevers verplicht moeten worden kankerverwekkende stoffen uit het productieproces te halen en wanneer ze dat niet doen de directie van die bedrijven weg zal moeten. Dit gaf aanleiding tot een levendige discussie over de gevaren van de stof versus het risico van de blootstelling aan deze stof. Of, met de woorden van Peter van Ingen, "dames en heren, de stemming zit er goed in!".

In het middaggedeelte sprak Peter van Ingen met Mark Rutte, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het gesprek stond in het teken van de aftrap van het programma VASt. VASt staat voor Verstreking Arbobeleid Stoffen.
Nadere informatie over het programma VASt is te vinden op http://www.arbo.nl/topics/subject/vast/index.stm.

Rutte gaf aan dat het doel is te zorgen voor meer kennis over gevaarlijke stoffen in de branches wat ten dienste van de individuele organisaties moet komen. Ook gaf Rutte aan dat in veel gevallen een beperking van de risico's een gedragverandering vergt. Die gedragsverandering vereist goed leiderschap. In de plannen van de organisatie zal naast de doelen (omzet, groei etc.) moeten worden verwoord dat het bereiken van de doelen op die manier dat we allen gezond 65 jaar worden.
PRIJSUITREIKING
De afsluiting van de dag vormde de prijsuitreiking van de Goede Praktijken Competitie. De prijsuitreiking werd verzorgd door Arboriginals of, zoals zij zichzelf presenteerden 'arbopromotoren van de werkvloer'. Zij gaven een kort hun visie op de verschillende inzendingen en presenteerden ondertussen hun persoonlijke beschermingsuitrusting.
De eerste prijs werd gewonnen door Brakel Interieurgroep uit Hilversum. Het resultaat van hun goede praktijk 'Gebruik ander soort staalplaat; winst voor arbeidsomstandigheden, milieu én productie' is een vermindering van de blootstelling aan oplosmiddelen van de medewerkers. En, een aspect wat door de arbopromotoren van de werkvloer niet ongenoemd kon worden, een idee van één van de medewerkers van Brakel Interieurgroep.
De tweede prijs werd gewonnen door Glasatelier Oud Rijswijk uit Zoetermeer. De goede praktijk 'Veiligheid eerst voor glazeniers ! Aanpak op bedrijfs- en brancheniveau' laat zien dat door uitgebreide veiligheids- en gezondheidsmaatregelen in hun eigen bedrijf de blootstelling aan gevaarlijke stoffen, zoals loodwit, bij de restauratie van glas-in-lood ramen drastisch verminderd is. Daarnaast vervult het bedrijf een voortrekkersrol op het gebied van veiligheid en gezondheid in de glazeniersbranche.


Eerste prijs Brakel Interieurgroep Hilversum

Publieksprijs


De publieksprijs is gewonnen door de Vakraad van de Kappersbedrijf. Hun goede praktijk 'Healthy Hairdresser; jouw gezondheid telt : campagne om gezond werken in de kappersbranche te bevorderen' werd kreeg de meeste stemmen van het publiek: "een toonaangevend project met een groot bereik". Of, zoals één van de andere inzenders (Defensie) aangaf "een project dat een ieder aanspreekt, immers naar de kapper gaan we allemaal".

Meer informatie over de prijswinnaars en het oordeel van de jury is te lezen op http://www.arbo.nl/euweek/2003/gpa_nl.stm
Eind november worden in Bilbao de Europese prijzen van de Good Practice Award uitgereikt. De Nederlandse genomineerden hiervoor zijn: De Kappersbranche, Arbouw en FOCWA.

EINDOORDEEL
De organisatie van de dag was uitstekend, de locatie uniek (het merendeel van de activiteiten was op 'de oude werkvloer' van de koffiefabriek), het programma veelzijdig en interessant en met gastheer Peter van Ingen boeiend en vermakelijk. Kortom, een wel bestede dag.
Opvallend was echter dat bij dit arbeidshygiënische onderwerp bij uitstek er nauwelijks inbreng van de arbeidshygiënisten lijkt te zijn. Een uitdaging voor de Europese Week 2004. Het thema van de Europese Week in 2004 is: Veiligheid en gezondheid in de Bouw. Het thema reikt verder dan de 'traditionele' bouwsector. Ook werkzaamheden als onderhoud en renovatie, verwijdering van asbest, monumentenzorg, en aanleg en onderhoud van wegen vallen hieronder.

Wendel Post, 28 oktober 2003

+++++


Speciale Landelijke Contactbijeenkomst.




Op 11 september vierde de NVvA haar 20 jarig bestaan.
Tijdens een goed bezochte speciale contactbijeenkomst werd hiervoor een gevarieerd programma geboden aan de leden.
Door de voorzitter, Evelyn Tjoe Nij, werd een voor de gelegenheid geschreven publicatie ``20 jaar Arbeidshygiene`` aangeboden aan staatssecretaris M. Rutte van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
In daarop volgende toespraak riep de staatssecretaris op tot nog verder gaande samenwerking om met name op het gebied van ´´beheersing´´ tot resultaten te komen. De uitgesproken tekst is hier (41 kb) op te vragen.

Professor Tjabe Smid sprak over de toekomst van de Arbeidshygiene; ook zijn toespraak is hier (508 kb) beschikbaar.
Hij stelde een nieuw motto voor de Arbeidshygiene voor : voorkomen, monitoren en beheersen.

Voorzitter Evelyn Tjoe Nij ging in op het bestuursbeleid voor de toekomst zoals dat ook geformuleerd staat in de Beleidsnota 2003/2004 (te vinden op het ledendeel van deze site). Het motto hier : Arbeidshygiene staat voor Preventie van Arbeidsgebonden Aandoeningen.

Onder de titel ´´Dicht op de huid´´ gaf dr. Ruth Benschop een overzicht van de ontwikkelingen in de arbeidshygiene in de afgelopen 20 jaar en gaf ook de noodzaak tot strategische keuzen voor de toekomst. Haar presentatie staat hier (53 kb).

Bestuurslid Theo Scheffers deed verslag van zijn op originele wijze uitgevoerd onderzoek naar de geschiedenis van de Arbeidshygiene voor 1983; zijn presentatie staat hier (414 kb).

Zowel de onderzoeken van Benschop als van Scheffers zijn in de genoemde publicatie uitgebreid beschreven. De aanwezige leden kregen de publicatie mee; de overige leden krijgen deze thuisgestuurd.

Een laatste presentatie door Cees Romme over Arbo in de Dierentuin besloot het programma. Cees had zoveel leuke plaatjes in zijn presentatie, dat opname als download voorlasnog niet verantwoord leek.

Al met al een zeer geslaagd programma door de gezamenlijke inspanningen van Bestuur, Symposium Commissie, Cie Landelijke Contactbijeenkomsten en EPS.

RLF, 24-9-2003

+++++


Legionella op de Landelijke contactbijeenkomst NVvA

Nee, het APS-gebouw waar de Landelijke contactbijeenkomst op 27 juni 2002 werd gehou-den, was niet getroffen door een legionellabesmetting, maar er werd alleen maar gesproken over legionella en de inspecties die de overheid uitvoert.

Allereerst vertelde dhr. Frans de Beer, van de Arbeidsinspectie (Ministerie van SZW) over wat de belangrijkste actiepunten vanuit de overheid waren na het flora-incident. Aan de Tweede kamer werd een aantal toezeggingen gedaan die herhalingen moeten voorkomen. Voor vaste leidingnetten werd de "Tijdelijke Regeling Legionella-Preventie In Leidingwater" afgekondigd. Verder werden bedrijven gewezen op de bestaande regelgeving met betrekking tot biologische agentia onder andere ten aanzien van luchtbehandelinginstallaties (LBI) en koeltorens. En de Arbeidsinspectie heeft mede tot taak om er op toe te zien dat deze regels worden nageleefd. Daartoe heeft de Arbeidsinspectie eerst onderzocht welke installaties een Legionella-risico met zich mee brengen. Daaruit bleek dat de aandacht zich moest richten op LBI's en koeltoren. Vervolgens is aan KIWA opdracht gegeven om daar verder onderzoek naar te doen. De resultaten van dit onderzoek zijn gebruikt voor het opzetten van het inspec-tieproject "Legionella 2002" dat momenteel door de Arbeidsinspectie wordt uitgevoerd. De rapportage van de onderzoeken zijn te downloaden van www.szw.nl (=> officiële publicaties => 2001 => 20-12.)
Een probleem bij veel gebouwen is dat de werkgever die ruimte huurt in een (kantoor)pand niet zelf de beheerder is van het gebouw en dus veelal weinig inzicht en invloed heeft op de LBI in het gebouw. Toch moet de werkgever zorgen voor een deugdelijk legionella beheers-plan waarin een noodplan is opgenomen waarin staat "hoe te handelen bij een legionella-uitbraak". In het beheersplan moet voldoende aandacht besteed worden aan: beschrijving van de installatie, onderhoud, reiniging, controle op aanwezigheid legionella ter controle van effectiviteit van de beheersmaatregelen en de condities tijdens stilstand.
Tevens wordt bij de inspectieronde nagegaan of de RI&E volledig, dus inclusief op legionella, is uitgevoerd. Conclusies tot nu toe zijn dat bij 75% van de risicovolle installaties een be-heersplan ontbreekt en dat bij 75% van de geïnspecteerde bedrijven de RI&E niet volledig was.

Hierna ging Ad Besems, Directie Arbeidsveiligheid en -gezondheid van hetzelfde ministerie verder in op de risicofactoren ten aanzien van legionella en wat er zoal komt kijken bij de controles. Legionella-infecties komen in veel bedrijfssectoren voor, bijvoorbeeld ziekenhui-zen, hotels en bedrijven. Expositie is overal mogelijk. Hoewel koeltorens het grootste indu-striële risico zijn, werden in Nederland hiermee nimmer uitbraken geconstateerd.
Bij de inspecties richt de aandacht zich voornamelijk op de aanwezigheid van risicofactoren: systeem van luchtbevochtiging (stoom, sproei/vloei en verdamping etc), wat is de kwaliteit van de luchtbevochtiger, is er stilstaand water, vindt opwarming plaats van koudwaterleidin-gen, wordt er (preventief) onderhoud uitgevoerd, etc.
Dhr. Besems ging verder in op de HSE-Richtlijn (Health and Safety Executive). Deze richtlijn wordt aangehouden bij de inspecties. Wanneer je de richtlijnen hieruit volgt, zit je aan de veilige kant en worden uitbraken met legionella als niet-waarschijnlijk verondersteld.
Qua wetgeving op het gebied van de waterleiding dreigt er een impasse als de Tijdelijke Re-geling Legionellapreventie niet direct opgevolgd zou worden door een besluit op grond van de Waterleidingwet. In het Arbobesluit biologische Agentia staan diverse aanwijzingen die voldoende handvatten bieden voor de Arbeidsinspectie om bedrijven op hun verantwoorde-lijkheden te wijzen. Zijn conclusie is dat zoals altijd voorkomen beter is dan genezen en dat wordt vertaald in: voorkom vermeerdering bij de bron door o.a. stoomgebruik, voorkom aero-solvorming en vermijd dode einden in leidingen; beperk vervolgens de verspreiding door kortsluiting uit te sluiten; scheiding van mens en bron door de toegang tot LBI te limiteren tot onderhoudspersoneel dat, als laatste beschermingsmaatregel, wel voorzien moet zijn van adequate persoonlijke beschermingsmiddelen (in de ademzone) indien de LBI moeten wor-den schoongemaakt of anderszins onderhoud wordt gepleegd.
In de discussie die op de lezingen volgde, veel aandacht voor de controlekweken. Er is geen wettelijke norm die als veilige ondergrens (KVE/ml) wordt erkend. Bij de inspecties richt de aandacht zich vooral op aanwezigheid van een beheersplan en goed onderhoud. Als dat goed is, dan zijn lage kiemgetallen in kweken acceptabel. De Arbeidsinspectie stelt contro-lekweken niet verplicht, terwijl het Ministerie van VROM dat overigens wel doet, maar stelt inschattingen van het risico (RI&E) wel verplicht.
Op de vraag of brandhaspels legionellavrij moesten zijn was het antwoord onduidelijk. De Arbeidsinspectie heeft hierin nog geen standpunt. Praktisch gezien wordt geadviseerd bij brandhaspels een bordje te hangen waarop staat dat deze niet gebruik mag worden voor het besproeien van planten of het wassen van auto's en dergelijke.
De zaal bestrijdt het overheidsstandpunt dat kantoorpersoneel zo'n grote risico lijkt te lopen op legionellabesmetting want nimmer werden tot nu toe besmettingen geconstateerd bij hen. Vooral de afwezigheid van aerosolen op de werkplek pleit deze groep vrij van risico. Toch is landelijk het aantal legionella-infecties afgelopen jaar flink gestegen (van 40 naar 400 per jaar) en veelal wordt de bron niet gevonden waardoor waakzaamheid geacht wordt.

De lezingen van de beide sprekers zijn te downloaden op de ledenpagina.

Edwin Hagelen
2-9-2002



Documenten Landelijke bijeenkomsten, inloggen vereist:


 

Zoeken

Leden
Lidnummer

Inlognaam

Inloggegevens vergeten
Geef uw mening!