Boetes deeltijd

Bij hoogte arboboetes gaat deeltijd meewegen

Bewerkelijk voor Inspectie, principiële rafelrandjes
Een werkgever procedeert tot en met de Raad van State, en dwingt tot een breuk in 20 jaar berekenen van boetehoogte bij overtreding van de arboregels. De juridische drukte bij handhaving bereikt een nieuw hoogtepunt. ‘Dwarskijkers’ zien misschien juist een nieuw dieptepunt.

Een werkgever krijgt een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Hij is tekort geschoten wat betreft voorkómen van valgevaar, een zware overtreding volgens de beleidsregel boeteoplegging arboregelgeving. De Inspectie SZW berekent de boetehoogte met de gebruikelijke factoren, zoals de bedrijfsgrootte. Deze werkgever met zes werknemers valt in de categorie “bedrijven of instellingen met 5 tot en met 9 werknemers”. Dat leidt tot een boete van (20% van het zogeheten boetenormbedrag, dus) € 3.600. De werkgever maakt bezwaar bij de minister, vergeefs, en tekent beroep aan bij de rechtbank, ook vergeefs. Kern van het verweer van de werkgever is dat diverse werknemers in deeltijd werken, zodat hij in een lagere categorie bedrijfsgrootte zou horen.

Raad van State wil motivering
De werkgever legt de zaak voor aan de hoogste bestuursrechter, de Raad van State. Die doet een tussenuitspraak. Hij oordeelt dat bedrijfsgrootte een goed criterium is om tot een evenredige boete te komen, maar stelt dat ook het aantal gewerkte uren iets over de bedrijfsgrootte kan zeggen. De overheid i.c. staatssecretaris Van Ark heeft onvoldoende gemotiveerd waarom dat niet meeweegt en moet van de Raad de boete opnieuw vaststellen.

De staatssecretaris schrijft daarop aan de Raad dat ze part time werk mee zal nemen als dit het desbetreffende bedrijf in een lagere categorie bedrijfsgrootte kan brengen. De Inspectie zal in dergelijke gevallen voortaan de gewerkte uren omrekenen naar een fictief aantal werknemers uitgaande van een voltijd werkweek.

De Inspectie maakt een nieuwe berekening voor de onderhavige boete, gebaseerd op een werkweek van 35 uur, de CBS-definitie van ‘voltijd’. Zo heeft deze werkgever 5,2 fte werknemers en blijft de boete gelijk. Bij een berekening met 38 uur als volle werkweek zou de uitkomst zijn 4,8 zijn en de helft minder boete, aldus de werkgever. De Raad van State oordeelt uiteindelijk dat in dít geval met 38 uur gerekend moet worden, de staatssecretaris moet beter motiveren.

Advocaten hekelen rechtsonduidelijkheid
Twee advocaten van Stibbe schrijven in augustus 2019 een blog over deze kwestie. Ze bekritiseren dat de hoogste bestuursrechter niet echt duidelijk is en de staatssecretaris nog niets heeft laten horen. Immers, evengoed is 36 of 40 uur als fulltime dienstverband te zien: onder andere de Wet minimumloon laat ruimte voor verschillen per sector. 

Aangepast boetebeleid roept vragen op
Eerder genoemde beleidsregel is in juli 2018 aangevuld met een algemene formule: “.. het bedrag van de boete [kan] worden verhoogd of verlaagd totdat deze evenredig is en daarmee passend en geboden.” De Inspectie heeft zo meer werk aan boeteberekening, vooral door de noodzaak opgave van deeltijd te verifiëren. Daarnaast is er het gegeven dat er niet één nationaal getal feitelijke werkweek is; voor de boeteoplegging kan een consequentie zijn dat gelijke gevallen verschillend beboet worden afhankelijk van gebruikelijke werkweken in sectoren: hoe rechtsgelijk is dat?

Een principieel punt is het volgende. Sinds de invoering van beboeting door de Inspectie, in 1999, woog deeltijdwerk niet mee. Dit vanwege de opvatting -neergelegd in de regels- dat eventuele duur van blootstelling niets uitmaakt aan de verplichting van de werkgever tot bescherming. Dat is nu losgelaten. Geeft dat ruimte voor een advocaat met een nieuw initiatief? Bijvoorbeeld dat bij beboeting zou moeten meewegen dat een voltijd werknemer maar 20 uur per week boven de grenswaarde is blootgesteld aan een gevaarlijke stof waarvoor de grenswaarde gebaseerd is op een 40-urige werkweek?

Juridisering
Misschien is dit laatste speculatie. Realiteit is in ieder geval het volgende. Het kabinet Rutte-I introduceerde meer ruimte voor bedrijven, maar harder ingrijpen indien nodig. De overtredingen op grond van de Arbowet werden hoger beboet. De Inspectie SZW ervaart (daardoor?) vaker bezwaar en beroep, meer juridisering. Ze is daaraan tijd kwijt, reguliere inspecties komen (niet alleen daardoor) in de knel. De kwestie die de Stibbe-advocaten aankaarten is een illustratie van de steeds verder gaande juridische verfijning. ‘Dwarskijkers’ kunnen de vraag stellen: wat was er mis aan de vroegere ‘quick and dirty’ bescheiden boetes, met (extra) forse verhoging bij (tweede) recidive?

Bronnen
Uiteindelijke uitspraak Raad van State (tussenuitspraak daarin)

Blog Stibbe

Staatscourant juli 2019